Glippers

Onderstaande tekst is ontleend aan het artikel van W.A. Fasel uit Leids Jaarboekje 1956 p68-78 en is voorzien van hyperlinks naar personen en percelen uit de database. Bij geconstateerde onregelmatigheden zijn -in de vorm van zogenaamde “pop-up’s- commentaren toegevoegd.


DE LEIDSE GLIPPERS

De minst populaire figuren uit de geschiedenis van Leiden zijn ongetwijfeld de Leidse glippers. Worden de verdedigers van de belegerde stad in alle gedenkboeken, herdenkingsredes en liederen hemelhoog opgevijzeld, de glippers worden aan de verachting prijsgegeven en ons afgeschilderd als de meest verdorven creaturen,
die slechts de ondergang van de vrijheid beoogden.

Ook in de historische geschriften van ORLERS, VAN VLOTEN en FRUIN komen zij er weinig beter af. In de litteratuur verstaat men onder glippers, diegenen, die op bevel van ALVA tijdens de opstand de steden verlaten hebben wegens hun trouw aan de Koning van Spanje of omdat zij het oude geloof wilden bewaren. Volgens FRUIN [l] beklaagt een prinsgezind schrijver uit die tijd zich, dat de glippers met hun inlichtingen evenveel kwaad brouwden als de Spanjaarden met hun wapenen. Hun bijstand maakte het begrijpelijk dat de belegeraar zijn maatregelen tot inslulting zo goed wist te treffen.

Wil men echter proberen deze mensen af te meten naar de maatstaven van hun tijd, dan zal het oordeel waarschijnlijk milder uitvallen, al zal het moeilijk zijn sympathie voor hen te voelen. De tachtigjarige oorlog, als een spontane reactie tegen het Spaanse absolutisme en tegen het streven naar centralisatie van PHILIPS, vormt de achtergrond van de tragedie van het Leidse glipperdom. Wanneer wij teruggaan naar de tijd van het begin van de reformatie, zien wij, dat vooral de internationale verschuivingen op het terrein van handel en industrie het lot van de massa bepalen. De opkomst van de Engelse lakenbereiding en lakenhandel en het verbod tot uitvoer van Engelse wol, brengen de vaderlandse lakenneringen een slag toe, die voelbaar is alom in de lage landen. Het gevolg is een verarmd stadsproletariaat, dat een al te schril contrast vormt met een geestelijke stand, die in het bezit is van talrijke bezittingen aan land en goederen. Onder de werkloze weversbevolkingen moeten wij de eerste aanhangers van de nieuwe richtingen zoeken. Daarnaast staat een klasse van gezeten neringdoenden, brouwers, korenkopers, hoofdlieden der gilden, die de regeringen der steden vormen. Ook zij hebben hun eigen grieven tegen de heersende kerk: de sterke uitbreiding der orden en ordegoederen in de steden, de kloosterneringen, die de particuliere bedrijven oneerlijke concurrentie aandoen. De opkomst van het humanisme, dat zijn aanhangers telt onder de gestudeerde priesters, de juristen en de regenten in de steden, doet ook hen verlangen naar vernieuwing van het christendom in de geest van bijbel en kerkvaders en doet hen critisch staan tegenover de slechte leefwijze van sommige leden van de geestelijke stand, de uitwassen van aflaatverkoop, bedevaarten en volksdevotie. Sommigen der humanisten zullen later de hervorming aanhangen, anderen zullen het oude geloof trouw blijven. Echter de afkeer van het extreme, de geestdrijverij van Calvinistische predikanten en lagere volk zal bij allen gelijk zijn. Degenen, die naar het protestantisme overgaan, zullen later de libertijnse regentenklasse vormen, de stand van grote kooplieden, die wel een godsdienst aanhangen, doch deze niet verkiezen te stellen boven vriend- of bloedverwantschap of zelfs boven maatschappelijke of handelsbelangen [2]. Hun houding tegenover de ,,papisten” zal zich kenmerken door een grote gematigdheid en zij zullen afkerig staan tegenover woelingen of welk extremisme dan ook.

Wanneer de beeldenstorm zich van het zuiden uit naar deze gewesten verplaatst en in Leiden de kerken aan het geweld van het gepeupel ten offer vallen, zien wij de regeringsleden een weifelende houding aannemen. Hoewel zij nog voor het grootste deel Roomsgezind zijn, doen zij niets om het volk in toom te houden [3]. Wanneer ALVA in aantocht is, treden zij krachtiger op; de naar de Nederlanden gezonden inquisiteurs, die een onderzoek moesten instellen naar de beeldenstormers, vinden echter nergens een gunstig onthaal. Hun komst betekent immers een inbreuk op de stedelijke autonomie. Doch ook voor de geuzen, die in 1572 onder ADRIAAN VAN ZWIETEN en LUMEY in Rijnland verschijnen, is men huiverig. De regering van Leiden weigert hen binnen te laten, niet alleen om de terreur en verschrikking die deze lieden vergezellen, doch ook omdat het innemen van geuzen een overgaan tot de opstand zou betekenen. Op 23 juni 1572 verzoekt dan een Spaans garnizoen de toegang tot de stad. De regering aarzelt, wederom is de stedelijke autonomie in gevaar en de bestraffing der beeldenstormers en protestanten, waarvan er velen uitgeweken en inmiddels weer teruggekeerd zijn, zal wellicht opnieuw ter hand genomen worden. Dan verschijnen de teruggekeerde ballingen met zwaarden gewapend voor het stadhuis; zij dwingen af, dat Bossu en de zijnen buiten gehouden zullen worden. In feite ging Leiden dus om. Drie dagen later komen de watergeuzen in de stad. ORLERS beschrijft in zijn kroniek [4] het komen en gaan der geuzenvendels en geeft een indruk van de koortsachtige activiteit, die toen in Holland heerste. De regering spoort aan tot eendracht en verdraagzaamheid, doch ondanks beloften en overeenkomsten beginnen de beeldenstormers hun werk opnieuw, ditmaal geholpen door de geuzen. Door deze gewelddaden afgeschrikt verlaten een aantal Katholieken de stad. Zij worden 6 september 1572 gevorderd terug te komen op straffe van verbeurdverklaring van hun goederen. Men schijnt met deze verbeurdverklaringen wel erg veel haast gemaakt te hebben, want als op 6 november de Prins van Oranje in de stad komt, blijkt een gedeelte van de vluchtelingen weer terug te zijn. Dan rijst de vraag of men hen inderdaad weer in het bezit van hun goederen moet stellen. Volgens belofte van de Prins is men dit verplicht, doch de uitvoering stuit op bezwaren, omdat een gedeelte der goederen reeds is vervreemd. Eerst in april 1573 is deze mensen recht gedaan. Intussen waren, omstreeks juli 1572, verscheidene leden der regering vervangen door voorstanders van de nieuwe richting. Wanneer dan de vijand nadert, trekken de afgezette magistraten de stad uit en met hen een aantal anderen. Deze uitgewekenen worden 2 1 januari 1573 [5] gesommeerd binnen 8 dagen terug te komen op verbeurte van 100 gouden realen. Weinigen schijnen aan deze uitnodiging gevolg te hebben gegeven, want 18 februari 1573 [6] wordt het bevel herhaald, thans op straffe van nog eens 100 gouden realen en confiscatie van de boedel ten bate van de fortificatiewerken van de stad. Het valt echter te betwijfelen of deze glippers zo Roomsen Spaansgezind waren, dat zij hun eigendommen, die velen toch aan huizen en roerend goed bezaten, opgaven alleen om hun trouw aan Paus en Koning te belijden. Het is niet denkbaar, dat zij, die tijdens de beeldenstormen zo gematigd waren geweest en kort daarna zelfs de predikanten van de nieuwe richting hadden laten begaan, zij het ,,onder protest”, plotseling van trouw en geloofsliefde blaakten. Eerder lijkt het, dat zij geen vertrouwen hadden in de gang van zaken en bevreesd waren zich te compromitteren met de geuzen, toen zij zagen dat het door het drijven van deze lieden op een beleg zou uitlopen. Het lijkt alsof zij in deze tijden van revolutie en verandering het vermogen misten zich aan te passen en zich neer te leggen bij de gewijzigde omstandigheden, dat zij niet beseften, dat oude gevestigde toestanden voorgoed veranderd waren en dat de dag van de nationale strijd tegen Spanje was aangebroken. De plaatsen waar zij zich vestigden, lagen dikwijls in de onmiddellijke omgeving van de stad, zodat zij met de zegevierende legers van de Spanjaarden direct ter plaatse konden zijn om de regering weer in handen te nemen en hun neringen te hervatten. Tijdens het beleg zullen enigen van hen brieven met schone beloften naar de hardnekkig verdedigde stad zenden. Zij zullen pogen in contact te komen met geestverwanten in de stad en in hun rol van de ,,vogelaer” proberen het moreel te breken [7]. Want ook de regeringsleden, die achter gebleven waren, bleken niet van onbesproken trouw. Wanneer wij DOUZA moeten geloven, waren slechts 7 van de 40 vroedschappen betrouwbaar, terwijl ook enige burgemeesters niet te vertrouwen waren, Hij beklaagt zich over de rijke wevers en hoofdlieden der gilden, die in ijver verre achterblijven bij de menigte. Vooral ook over de regering: ,,Het gaat mij aan het hart te zien, dat de burgerij meer over heeft voor de goede zaak dan de regenten.” Het gebeurde, dat nog tijdig een complot werd ontdekt van , nl. LENAERT SYMONSZ. Dou, CLAES JANSZ. BRANT en JACOB THOMASZ. BROUWER, die op aanstichten van de glippers , en de Hogewoerdse Poort trachtten te openen. Het geval had zich als volgt toegedragen: Op zekere dag was bij JOOST HUYGENSZ., linnenwever te Leiden, zijn neef GIJSBRECHT ANTHONISZ. uit Velzen verschenen, die hem verzocht had mee te gaan, omdat CORNELIS VAN DER HOOG hem wilde spreken. Het tweetal glipte uit Leiden en passeerde met behulp van een paspoort, afgegeven door VAN DER HOOG, de Spaanse posten te Hillegom en te Berkenwoude en bereikten Aelbertsberg, waar VAN DER HOOG en VAN BERENDRECHT huisden. Deze heren waren echter vertrokken naar Amsterdam. Zij reisden hen na en vonden VAN BERENDRECHT daar in gezelschap van de twee glippers CORNELIS PIETERSZ., oude-klerenkoper, en ADRIAEN HARMANSZ., die het beroep van verversknecht en schoenlapper uitoefende. Deze twee laatsten verrichtten kennelijk diensten voor de aanzienlijke glippers. De volgende dag werden zij naar het huis Groenendaal gevoerd, waar zij JOHAN VAN MATHENESSE aantroffen ,,die eertijts te Leyden woonde in het huys van de Jonkvrouwe VAN NAELTWIJC”. VAN MATHENESSE vroeg allereerst inlichtingen over de defensie der stad en over de toestand van de manschappen te Leiden. Toen kwam het eigenlijke aanbod, nl. het verrichten van diensten voor de glippers. Het bleek, dat ADRIAEN HARMANSZ. naar Leiden was gegaan en brieven had laten bestellen door zijn vrouw NEELTGEN WOUTERSDR. bij LENAERT SYMONSZ. Dou. JOOST HUYGENSZ. moest nu naar Leiden gaan en contact opnemen met NEELTGEN WOUTERSDR. Hij moest zich door haar laten wijzen aan wie zij de brieven besteld had. Hij blijkt dit inderdaad gedaan te hebben. Hij vervoegde zich bij Dou. Deze had inmiddels CLAES JANSZ. BRANT en JACOB THOMASZ. BROUWER voor het plan gewonnen. Een troep van 600 ruiters en 1000 haakschutters zou over de Weipoort naar Leiden marcheren. Een ruiter zou vooruit gaan met een brandende bussel stro. Men rekende DIRK OTTENSZ., de portier van de Hogewoerdse Poort, te kunnen omkopen, omdat hij een broer had die geestelijke was. Men zou zorgen bij de poort aanwezig te zijn en een lantaarn uithangen. Hoe deze aanslag mislukt is, bleek helaas niet, wellicht was Dirk Ottensz. niet zo omkoopbaar als gehoopt was, want op de lijst van verhuurde percelen van 1573 werd hij aangetoffen als huurder van een geconfìsceerd huis, hetgeen er op wijst, dat hij zich in Leiden voorlopig nog wel thuis voelde.

Hoe sommige aan het bewind zijnde regenten echter konden aandringen op een overgave, nu zij, met het voorbeeld van Naarden en Haarlem voor ogen, konden constateren hoeveel de Spaanse beloften waard waren, is niet duidelijk. Het feit echter, dat zij met hun vrienden-glippers in geheim contact stonden door middel van boden, die als het ware vrolijk de stad in en uit schijnen te wandelen, doet de stoute  veronderstelling opkomen, dat aan hen geheime beloften waren gedaan voor de tijd, dat de finale afrekening daar zou zijn. Of waren zij zo overtuigd met rust gelaten te worden door de Spanjaarden, dat zij een overgave durfden riskeren, alleen vertrouwende op de glippers? Nogmaals, dit zijn slechts veronderstellingen; het staat echter wel vast, dat de afrekening zou komen en ondanks hun fraai klinkende brieven is dit aan sommigen van de glippers bekend geweest, want enigen van hen hebben later te Amsterdam verklaard, dat de beloften van de Spanjaard waardeloos waren en dat het er voor de Leidenaars niet gunstig zou hebben uitgezien, wanneer zij inderdaad gecapituleerd hadden.

Zoals reeds terloops vermeld, werden de goederen van de vluchtelingen geconfisceerd. De huizen werden verhuurd, de inboedels en ander roerend goed publiekelijk verkocht. De rekeningen hiervan zijn bewaard gebleven [8]. Zij zijn niet nauwkeurig gehouden, sommige personen komen voor op de lijst van 1573 en 1576, terwijl zij op die van 1574 ontbreken. De rekening van 1573 komt zowel voor in het archief van de Rekenkamer ter Auditie als in dat van de Rekenkamer der Domeinen. Het eerst genoemde exemplaar is incompleet, terwijl in het laatst genoemde bovendien verkopingen van meubelen voorkomen. In de rekening van 1576 zijn de plaatsaanduidingen in de meeste gevallen onjuist. Soms blijken de vluchtelingen in 1574 en 1576 meer huizen te bezitten dan in 1573. Deze eigendommen zijn dan later opgespoord. Er was namelijk een beloning uitgeloofd voor degene, die glippergoederen aanbracht. Het valt te betreuren, dat van het jaar 1576 en in het bijzonder van het jaar 1574, toen de nood het hoogste was en dus de meeste mensen gevlucht zullen zijn, geen gegevens van verkopingen van roerend goed beschikbaar zijn, zodat het onmogelijk is het juiste aantal der glippers te geven. Het aantal der in de lijst voorkomende personen bedraagt ongeveer honderd. Huldigde men aanvankelijk het standpunt, dat iedere Leidenaar behoorde terug te keren, later was men blij als men een aantal monden minder behoefde te voeden: Op 3 januari 1574 [9] werd aan degenen, die uit de omstreken in de stad gevlucht waren, toegestaan weer te vertrekken als zij dit wilden. Op 5 maart 1574 [10] werd afgelezen, dat ieder, die wilde wegtrekken een paspoort kon krijgen, mits hij vóór zonsondergang de stad uit was. Op 6 juli 1574 [11] werd deze aflezing herhaald, ditmaal met de uitdrukkelijke vermelding, dat de achtergebleven goederen niet verbeurd verklaard zouden worden. Bij de eerste groep is dit dus waarschijnlijk wel gebeurd. Voorts het geval van de muiterij op 27 augustus 1574. Enige personen liepen te hoop en eisten voedsel of een paspoort om te vertrekken. Zij kregen het laatste, omdat men dergelijke verdedigers liever kwijt dan rijk was. Wat er van al deze gepasporteerden geworden is blijkt niet. Het is echter de vraag of de Spanjaarden deze mensen goedgunstig ontvangen zullen hebben, want ongeveer een jaar te voren hadden zij enige vrouwen en kinderen naar de stad teruggestuurd onder het motto.. ,,Helpen jullie maar mee de voorraden op te eten.” Er bestaan enige aanwijzingen, dat de kans op glippen, zelfs toen het beleg op het einde liep, steeds aanwezig is geweest. Wanneer met VALDEZ onderhandeld wordt, verzoeken de Leidenaars een paspoort voor een of twee boden om met open brieven naar de glippers in Utrecht of Haarlem te mogen gaan. VALDEZ staat dit welwillend toe, niet begrijpende, dat dit een krijgslist is van VAN DER WERF en de zijnen. De boden kunnen immers van de goede weg afdwalen en met een boodschap bij de Prins terecht komen. ORLERS, die deze geschiedenis verhaalt, laat Leiden aan de vijand schrijven: ,,dat hun doch wel bekent was, dat niet een hase vry uyt Leyden door heur legher mocht loopen door haer nauwe belegheringhe, hoeveel temeer boden aen sijne vorstelicke genade, sonder hem bewillinghe”. Dit antwoord schijnt vooral gegeven te zijn om de vijand zand in de ogen te strooien, want ORLERS vult aan: ,,hoewel nochtans ter contrarie sy vrye wegen wisten ende den selfden als hun veyanden meynden gansch seker te syn, daer men sulcx minst vermoede, sijn sy mette brieven aen sijn Excellentie gecomen”. In hoeverre deze geschiedenis waar is, zal wel nooit meer achterhaald worden. FRUIN betwijfelt ,de waarheid van dit verhaal ; volgens hen heeft men een tijdelijke wankelmoedigheid later willen voorstellen als een krijgslist. Het is echter wel zeker dat deze ,,vrye wegen” bestonden en het is dus niet ondenkbaar, dat ook anderen de weg naar de vrijheid hebben verkozen. Een brief van GERRIT VAN  HOOGSTRAETEN, die toevallig onderschept werd en waarin hij zijn neef DE MAN verzoekt zijn dochtertje bij hem op zijn hofstede in Leiderdorp te brengen, wijst ook in die richting.

Wanneer wij de lijst der glippers bezien [12], treffen wij vogels aan van diverse pluimage. Allereerst natuurlijk de regeringsleden, die wij kennen als de ondertekenaars van glipperbrieven. Hun huizen werden o.m. gehuurd door figuren uit het ,,verzet” als JAN VAN HOUT, GIJSBERT VAN DER SCHAECK e.d. Degenen, die door het ondertekenen van deze brieven actief met de vijand meewerkten, vormen echter slechts een klein deel van de glippers, waarvan de namen bekend zijn. Voorts blijkt een aantal kanunniken en pastoors gevlucht te zijn. In de rekening van 1573 kan men lezen, dat enige burgers een rente moeten uitkeren van geconfisceerde pandbrieven, die behoren aan enige geestelijken. Enigen van deze geestelijken zijn vermeld als zijnde ,,fugityf”, anderen echter niet [13]. Op het eerste gezicht is het opmerkelijk dat een tweetal huizen gehuurd wordt door de Maters van St. Ursula en de Witte Nonnen. Dit is echter te verklaren, doordat weliswaar de geestelijke goederen geconfisceerd waren, doch dat aan de geestelijken en kloosterlingen met ingang van 1 september 1573 een toelage gegeven werd ,,daer sij of leeven souden.” Zij hadden bij besluit van 4 oktober 1572 hun bezittingen moeten aangeven en vooral de zusterorden deden dit gehoorzaam. Zij werden na de rumoerige beeldenstorm met rust gelaten en stierven langzaam uit. Als huurder van het huis op de Voldersgracht van de Juffrouw VAN SOETELINGKERCKE wordt genoemd de Vrouwe van Leeuwenhorst. Waarschijnlijk is dit JOHANNA VAN DER DOES, abdisse van Leeuwenhorst, die voor de geuzen naar Leiden vluchtte en daar tijdens het beleg stierf. Mede treffen wij onder de vluchtelingen enige dames aan, die wel afkerig geweest zullen zijn van zoveel ruw geuzengeweld. Of zij al dan niet tot een convent voor adellijke jongejuffrouwen behoorden, blijkt niet. De rest van de glipperschare bestaat vooral uit kleine of grotere zelfstandigen. Het is wel opvallend, dat bij de vermelde beroepen het aantal brouwers e.d. in verhouding zo talrijk is, dus juist diegenen, die de voedselvoorraden in handen hadden. Dit kan toevallig zijn, maar de laatste wereldoorlogen hebben ons hieromtrent het een en ander geleerd. Wanneer men dan tevens ziet, dat reeds voor het beleg herhaaldelijk gewaarschuwd werd tegen prijsopdrijving en dat men prijzen had moeten vaststellen: ,,Alzoo dat tot onse kennisse gecomen es dat veele ende verscheyden persoonen de eetbare spijsen ende waeren verdier n (duurder maken)“, is men geneigd te denken, dat deze lieden zich met de buit tijdelijk in veiligheid hebben gesteld. De beweegredenen, die hen bezielden, kunnen wij slechts gissen, maar hoe dan ook, op een spontane en innige trouw aan religie en vorst wijst dit zeer zeker niet, vooral ook als men ziet, dat van sommigen de verbeurd verklaarde goederen worden teruggehuurd door de vrouwen in het eerste jaar. In 1574 en 1576 treffen wij dan andere huurders aan. Waarschijnlijk hadden zij hun vrouwen achtergelaten om het bedrijf voort te zetten. Op 6 juli 1574 [14] echter worden de vrouwen, wier mannen gevlucht zijn, gedwongen binnen 24 uur met hun kinderen de stad te verlaten, omdat hun mannen de vijand helpen en hun meubelen en vee meegenomen hebben tot groot nadeel van de stad. Bovendien, omdat zij ,,onnuttelicken” het voedsel van de burgerij meeëten, en ten slotte, omdat zij in geheime correspondentie staan met hun mannen ende burgerij proberen over te halen tot muiterij. Hun eigendommen moeten zij achterlaten onder toezicht van de stedelijke regering, hetgeen in feite confiscatie betekent. Tevens is het aantal brouwers en herbergiers onder de huurders van de in beslag genomen goederen weer opvallend groot; ook zij beleefden klaarblijkelijk glorieuze tijden. Dat er op dit gebied wel het een en ander gepresteerd is, toont ook een verklaring van de namen en woorden, Misschien hadden zij reeds vrouw of kinderen verloren, misschien ook hebben zij later, toen de ergste honger gestild was, hun lafheid betreurd en verlangd, dat zij gebleven waren. Dit is echter een aspect van de historie, dat wel nooit opgelost zal worden. Het voorkomende in de latijnse oden van JANUS DOUZA. Onder DARDANARIUS staat namelijk: ,,Een opkoper van graanen. Dit ziet, behalven op andere koornkopers, die zich in den nood ten kosten hunner arme en ellendige medeburgeren zochten te verrijken, of de gemeente door het ophouden van de graanen oproerig te maaken en daardoor de Spanjaarden te begunstigen, waarschijnlijk op den burgemeester JAN JANSZ. VAN BAERSDORP, die een koornkoper was en met de muitelingen onder de burgers heulde. Men zegt mede, dat hij in zijn huis had kussens, opgevuld met meel, ‘t welcke hij den gemeenen nood onttrok en voor zijn behoeftige medeburgers verbergde.”

De woonplaatsen der glippers waren dikwijls in de onmiddellijke omgeving van de stad, enkelen van de briefschrijvers woonden te Utrecht, anderen te Amsterdam en Haarlem, of op hun buitenplaatsen te Leiderdorp en Zoeterwoude. Alles wijst er op, dat men geen plan had zich daar blijvend te vestigen, doch dat men vast geloofde in een Spaanse overwinning en de tgdelijkheid van de vrijwillige ballingschap. Vermeldenswaard is ook de ontmoeting tussen enige boden van de stad Leiden en een aantal gevluchte  Leidenaren, die in Leiderdorp vertoefden. Deze laatsten hadden gehoord van de onderhandelingen tussen VALDEZ en de stedelijke regering. Zij spraken de boden aan en vroegen hun, hoe men in Leiden zo dom kon zijn in de beloften van de Spanjaard te geloven. De Haarlemmers hebben het zo lang volgehouden, omdat zij vreemde knechten in de stad hadden en zij zijn tóch gestraft. De Leidenaars hebben geen soldaten in en toch geloven jullie in een mildere behandeling! Dit goedbedoelde advies duidt zeker niet op een pro-Spaanse gezindheid, integendeel, men voelt hun bezorgdheid voor de ongelukkige stadgenoten, die zij misschien in de steek gelaten hebben, omdat zij de moed niet konden opbrengen voor een langzame uithongering. Wie weet ook, hoevelen onder de glippers, niet alleen onder hen, die met aardse goederen gezegend waren en wier namen we kennen, doch vooral onder hen, die niets bezaten dat de moeite van het verkopen waard was en wier namen wij niet kennen, er geweest zijn, die om deze reden gevlucht zijn? Wie weet ook, hoeveel zij reeds geleden hadden voor zij tot deze stap kwamen. is echter duidelijk, dat het niet aangaat te zeggen, dat deze mensen uitgetrokken zijn wegens godsdienstig of politiek idealisme. Er zullen er ongetwijfeld bij geweest zijn, doch deze zinken in het niet bij hen, die wegtrokken uit gewoon menselijke overwegingen, hetzij van zakelijke aard, hetzij uit berekening, omdat zij de Spanjaard sterker achtten, hetzij alleen maar, omdat zij honger hadden.

Naar aanleiding van het bovenvermelde advies, dat de boden te Leiderdorp van de glippers ontvingen, bijt ORLERS deze laatsten toe: ,,weynich denkende dat sy door haer getuygenisse heurder medeburgheren namen eeuwigh en de hunne tot een eeuwighen schande maeckten”. Met deze eeuwige schande is het wel meegevallen. Na het beleg zijn enigen, waaronder waarschijnlijk de jonge FRANS VAN DUSSELDORP en zijn moeder, in het geheim weer in de stad gekomen. Reeds bij de Pacificatie van Gent in 1576 werd bepaald, dat de goederen van de uitgewekenen zouden worden teruggegeven. Op 15 april 1576 werd daarvan in Leiden officieel afkondiging gedaan. De glippers waren dus weer vrij terug te komen. Zij zullen langzamerhand hun plaats in de gemeenschap weer hebben ingenomen, behalve enkelen, die tevoren te Utrecht overleden waren. Het verhaal gaat namelijk, dat niet alleen MAGDALENA MOONS, doch ook enkele van de belangrijkste glippers bij VALDEZ hebben aangedrongen de stad niet te beschieten. VAN DUSSELDORP toont zich niet van zijn beste zijde, wanneer hij beweert, dat God hen zeker voor dit verzoek heeft willen straffen, door hen vóór de Pacificatie van Gent te Utrecht te laten sterven. De namen van de overledenen zijn onbekend, mogelijk was een van hen CLAES VAN BERENDRECHT, de vroegere schout van Leiden, die kort na zijn vlucht overleed.

W.A. FASEL.

Noten:

1) Het beleg en ontzet van Leiden. Zie ook van hem: Uittreksels uit FRANCISCI DUSSELDORPII ANNALES, Inleiding.

2) Zie Prof. ROGIER, Geschiedenis van het Katholicisme in Noord Nederland, en Dr. L. KNAPPERT, De opkomst van het Protestantisme in een Noord Nederlandsche stad (Leiden). KNAPPERT geeft in de bijlagen een lijst van de uitgewekenen in 1566.

3) Een gunstige uitzondering was Mr. FRANS VAN DUSSELDORP, burgemeester van Leiden, die zich te midden van de rovende menigte begaf. Hij dwong de deken van de St Pancraskerk de mis te lezen, terwijl hij met geladen pistool het volk in bedwang hield. Zijn vrouw en zoontje FRANS vluchtten even voor het beleg naar Brabant, hij zelf stierf in 1567. FRANS jr. werd de schrijver van de Annales, die van een grote afkeer van het Protestantisme en de opstand getuigen. Het is opmerkelijk, dat zijn ooms van moederszijde, waarvan CORNELIS VAN DER HOOG en REYER JACOBSZ. bekend zijn, tot de glippers behoorden, terwijl zijn oom van vaders zijde CLAES VAN MONTFOORT, in de belegerde stad aan de zijde van de opstand stond.

4) Beschrijvinge der stad Leyden etc. IIde druk, blz. 553.

5) Gemeente-archief Leiden, Aflezingboek C, fol. 55.

6) Ibidem, fol. 59.

7) Een der ingekomen glipperbrieven inspireerde iemand, waarschijnlijk Douza, tot de opmerking: ,,Fistula dulce canit volucrem dum decipit auceps,” of zoals ORLERS het vertaalt: ,,Als de vogelaer ‘t vogelken vry siet vliegen, fluit hy seer soet om ‘t vogelken te bedriegen.”

8) Algemeen Rijksarchief, Rekenkamer ter Auditie, nrs. 4665-4667. De rekeningen over 1573 en 1574 zijn van ANDRIES SCHOT, die van 1576 van CLAES VAN MONTFOORT. Voorts Rekenkamer der Domeinen, nr. 683, rekening over 1573 van ANDRIES SCHOT. De verhuringen hadden plaats op 17 april 1573 en 7 april 1574, verkopingen van roerend goed op 23 september 1573 en in december 1574, ORLERS, Kroniek.

9) Gemeente-archief Leiden, Aflezingboek C, fol. 114v.

10) Ibidem, fol. 126.

11) Ibidem, fol. 151v.

12) Zie blz. 79-86

13) Het zijn: Mr. GHIJSBERT JANSZ., priester; JAN VAN ASSENDELFT, priester; JACOB JANSZ., kanunnik; HENRICK PAUWELS, priester; Heer FOY VAN ZIJL, kanunnik (?) en GERRIT VAN DE GOUDE, priester.

14) Gemeente-archief Leiden, Aflezingboek C, fol. 115v.

Lenaert Symonsz Dou is -voor zover wij weten- nooit vroedschap geweest.
In die tijd waren er twee heren, die Jan van Matenesse heetten: de een is bekend van het Rapenburg en de andere is zijn volle neef oftewel zoon van diens oom Wouter van Matenesse. Wij vermoeden dat het om die tweede gaat en dat dit tevens de jonkheer Jan van Matesse is, die we bij de Volkstelling van 1581 tegenkomen op Haarlemmerstraat 153 vergezeld van zijn moeder “joncvroue van Mathenesse zijn moeder”.
Cornelis Claesz van der Hooch, een zoon van Claes Aelwijn Claesz van Swanenburg en Anna Cornelisdr van der Hooch. Zijn vader nam al de naam van zijn vrouw over, waarna al hun kinderen ook als “van der Hooch” door het leven gingen.
Dit kan niet Claes Jansz van Berendrecht geweest zijn, want die is in 1567 overleden. Vermoedelijk betreft het zijn zoon Jan Claesz van Berendrecht, die hem in 1567 opvolgde als schout.